|
Algemeen Informatie
|
Regels rond leerlingenvervoer Inhoudsopgave
Verordening Elke gemeente legt de regels voor het leerlingenvervoer vast in haar Verordening Leerlingenvervoer. In de praktijk kunnen er verschillen bestaan tussen gemeenten wat betreft het beleid en de uitvoering van het leerlingenvervoer. De verordening leerlingenvervoer kan bij de gemeente worden opgevraagd. Levensovertuiging De gemeente heeft de wettelijke taak om te zorgen voor 'passend vervoer' naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school die aansluit op de levensovertuiging van de ouders. Kiezen ouders op andere gronden voor een school, bijvoorbeeld om onderwijsinhoudelijke redenen, dan wordt leerlingenvervoer niet per definitie toegekend. In zo'n situatie heeft de gemeente de vrijheid om het vervoer geheel te betalen, of gedeeltelijk door de kosten tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school te vergoeden. Een gemeente is hiertoe echter niet verplicht. Passend vervoer Een definitie van passend vervoer is niet in de wet vastgelegd. In de wet is slechts opgenomen dat het leerlingenvervoer zo georganiseerd moet zijn dat de school op een voor de leerling passende manier kan worden bereikt. Dit houdt in, dat bij het vervoer rekening gehouden moet worden met de omstandigheden, bijvoorbeeld met een handicap van de leerling. Als die handicap het niet mogelijk maakt om te reizen met openbaar vervoer, dan moet de gemeente zorgen voor aangepast vervoer, waarbij rekening wordt gehouden met die handicap, bijvoorbeeld het gebruik van een rolstoel. Ander voorbeeld. De gemeente hanteert een leeftijdgrens waarboven men in principe alleen voor een vergoeding voor openbaar vervoer in aanmerking komt. De leerling is door haar of zijn functiebeperking, bijvoorbeeld een gedragsstoornis, niet in staat zelfstandig te reizen. In dat geval mag men deze leeftijdgrens niet hanteren. Het vervoer is dan niet passend voor die leerling. Vormen van leerlingenvervoer In de praktijk zijn er in grote lijnen drie vormen van leerlingenvervoer mogelijk:
Openbaar vervoer als uitgangspunt Het uitgangspunt voor het verzorgen van passend vervoer is dat elke leerling geacht wordt gebruik te maken van het openbaar vervoer. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar modelverordening gesteld dat kinderen tot 9 jaar begeleiding nodig hebben in het openbaar vervoer. In principe wordt daarom een vergoeding gegeven voor de kosten van openbaar vervoer (met of zonder begeleiding). Een (verstandelijke) handicap kan één van de uitzonderingsredenen zijn waarom iemand niet van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Als openbaar vervoer ontbreekt, dan hebben mensen recht op aangepast vervoer, of ontvangen ouders een vergoeding voor het zelf halen en brengen van hun kind. Aangepast vervoer of een vergoeding Als leerlingen geen gebruik kunnen maken van openbaar vervoer op grond van hun functiebeperking kunnen zij in aanmerking komen voor aangepast vervoer of een vergoeding. Als ouders aanvoeren dat hun kind op grond van zijn of haar functiebeperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, dan moeten zij dat onderbouwen. Burgemeester en Wethouders (B&W) kunnen eventueel nader advies hierover inwinnen. Ouders moeten aan een onderzoek meewerken. Zij mogen dit alleen weigeren als er een gegronde reden voor is. Kilometergrens Een van de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op leerlingenvervoer is dat de school minimaal een bepaalde afstand vanaf de woning is gelegen, de zogenaamde kilometergrens. Is de afstand van huis tot de school kleiner dan de kilometergrens, dan kunnen ouders meestal geen gebruik maken van leerlingenvervoer. Gemeenten kunnen per schoolsoort een verschillende kilometergrens instellen. De kilometergrens is dus afhankelijk van de gemeente, maar maximaal zes kilometer. Als de afstand groter is, bestaat er aanspraak op leerlingenvervoer. De kilometergrens geldt in de regel niet voor leerlingen van het reguliere onderwijs die vanwege een handicap niet of niet zelfstandig gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer. Zij kunnen in veel gevallen ook binnen de kilometergrens aanspraak maken op leerlingenvervoer. Het leerlingenvervoer moet immers 'passend' zijn. Leeftijdgrens Ook kan een gemeente een leeftijdsgrens hanteren. Tot 9 jaar hebben kinderen boven de kilometergrens in ieder geval recht op openbaar vervoer met begeleiding. Gemeenten kunnen bepalen dat kinderen boven een bepaalde leeftijd (vaak is dat dus 9 jaar) in staat geacht worden zelfstandig of onder begeleiding te reizen met openbaar vervoer of per fiets. Vanaf die leeftijd verzorgt de gemeente dan ook geen aangepast vervoer meer. De peildatum is augustus van het betreffende schooljaar. Ongeacht de leeftijd, moet het vervoer altijd passend zijn. De gemeente moet rekening houden met de specifieke behoeften van het kind, zoals een handicap. Drempelbedrag of draagkrachtafhankelijke bijdrage Ouders moeten in een aantal gevallen bijdragen aan de kosten van het leerlingenvervoer. Dat kan zijn in de vorm van een drempelbedrag of een draagkrachtafhankelijke bijdrage. Voor de verschillende schooltypen gelden verschillende regels voor de bijdrage van de ouders aan het leerlingenvervoer. Ouders van kinderen met een handicap hoeven niets te betalen. Drempelbedrag gekoppeld aan kilometergrens Het drempelbedrag is gekoppeld aan de kilometergrens. Ouders boven een inkomensgrens moeten de kosten van het vervoer tot aan deze kilometergrens zelf betalen. De gemeente kan voor het drempelbedrag een tarief hanteren dat gelijk ligt aan een busabonnement voor 1 (€ 225,00, schooljaar 2005-2006) , 2 of 3 zones (€ 382,00, schooljaar 2005-2006) . Dit is afhankelijk van de afstand van de woning tot de kilometergrens. De bedragen worden jaarlijks aangepast. De gemeente mag geen drempelbedrag in rekening brengen voor leerlingen van het speciaal onderwijs. Ook voor leerlingen met een handicap die het reguliere onderwijs bezoeken en die niet of niet zelfstandig gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer wordt geen drempelbedrag in rekening gebracht. Inkomensgrens Het drempelbedrag wordt geheven bij een inkomen van meer dan € 21.150,- (schooljaar 2005-2006). Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. De wet biedt de gemeente overigens ook de mogelijkheid om helemaal geen bijdrage te vragen. Draagkrachtafhankelijke eigen bijdragen (schooljaar 2005-2006) Gemeenten kunnen bij bepaalde schooltypen kiezen voor een draagkrachtafhankelijke bijdrage, mits de afstand tot de school meer dan 20 kilometer is. Het inkomen is het inkomen van beide ouders gezamenlijk.
Voor het speciaal onderwijs geldt geen eigen bijdrage. Ook voor leerlingen met een handicap die niet of niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken geldt geen eigen bijdrage. Vervoer naar logeerhuizen en andere vormen van tijdelijk verblijf Steeds meer ouders van kinderen met een (ernstige) (verstandelijke) handicap kiezen er voor om hun kind thuis op te voeden. Waar wenselijk en mogelijk kiezen ouders voor vormen van ondersteuning in een reguliere setting (reguliere peuterspeelzaal, regulier onderwijs). Waar dit niet mogelijk is kiezen ouders voor speciaal onderwijs of andere vormen van gespecialiseerde ondersteuning (bijvoorbeeld een kinderdagcentrum - KDC). In Nederland maken daarnaast veel kinderen met een handicap gebruik van de mogelijkheid om eens in de zoveel tijd ergens te gaan logeren. Er zijn verschillende vormen van weekendopvang, logeren of vakantieopvang die worden gefinancierd vanuit de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) of met een PGB (Persoons Gebonden Budget) en waarvoor kinderen een indicatie nodig hebben. In de praktijk wordt dit 'kort verblijf' - afhankelijk van de hulpvraag van het kind - op verschillende manieren vormgegeven. Het kan gaan om af en toe een weekend of een vakantie. Maar het kan ook gaan om ieder weekend of een vast aantal momenten in de week. Van belang is dat deze functie in veel gevallen tot doel heeft om de thuissituatie (ouders, broertjes en zusjes) te ontlasten. Ook kan er sprake zijn van kort verblijfopvang in een crisissituatie. De huidige regeling van leerlingenvervoer voorziet niet in financiering van het vervoer van school naar geïndiceerde kortverblijfopvang elders, zoals bijvoorbeeld in geval van logeren. Deze leerlingen gaan daarnaast uiteraard veelal naar de school waar ze ook naar toe gaan als zij thuis zijn en die school is vanuit het tijdelijke adres lang niet altijd de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De Federatie van Ouderverenigingen en de CG-Raad zetten zich er in de richting van de Rijksoverheid voor in, dat kinderen met een handicap ook gebruik moeten kunnen maken van het leerlingenvervoer indien zij gebruik maken van geïndiceerde vormen van logeeropvang, weekendopvang, vakantieopvang, crisisopvang, etc. Soms komt het voor dat een gemeente dit vervoer voor haar rekening neemt, als het past binnen het reeds door de gemeente aangeboden vervoer. Weekend- en vakantievervoer Als een leerling verblijft in een instelling of een pleeggezin met het oog op het volgen van passend speciaal onderwijs, dan hoort de gemeente het weekend- en vakantievervoer naar het ouderlijk huis (v.v.) te vergoeden. Dit gaat alleen op als het kind elders verblijft vanwege het volgen van speciaal onderwijs. Een kind dat om sociaal-medische redenen elders woont en daar ook onderwijs volgt, komt niet voor deze vergoeding in aanmerking. Schooltypes De regelingen voor leerlingenvervoer hebben betrekking op ouders van wie het kind gebruik maakt van één van de volgende schooltypen:
Verschillen tussen leerlingen van Speciaal basisonderwijs (SBO), Praktijkonderwijs (PrO) en het Leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) en leerlingen van het Speciaal Onderwijs (SO) Nog even aandacht voor leerlingen van een speciale school voor basisonderwijs (voorheen LOM/MLK) of speciaal voortgezet onderwijs (LWOO en PrO). Voor deze leerlingen, die vaak een leer- of ontwikkelingsachterstand hebben, geldt de wetgeving van het reguliere basis- en voortgezet onderwijs (officieel Wet op het Primair Onderwijs WPO of de Wet op het Voortgezet Onderwijs WVO). En dus niet de wetgeving van het speciaal onderwijs (Wet op de Expertisecentra), die gunstiger bepalingen kent voor het leerlingenvervoer. Dit levert in de praktijk regelmatig discussie op tussen ouders en gemeenten. Gemeenten hanteren vaak de indicatie voor het speciaal onderwijs (of Leerlinggebonden Financiering ofwel LGF ofwel het "rugzakje") als maatgevend voor het aanwezig zijn van een handicap, op grond waarvan aangepast vervoer noodzakelijk is. Bij leerlingen van het SBO, LWOO of PrO kunnen echter ook beperkingen aanwezig zijn, op grond waarvan aangepast vervoer noodzakelijk is, maar die niet als 'handicap' worden aangemerkt volgens de Wet op de Expertisecentra. Ouders moeten dan moeite doen om dit aan te tonen. Soms is een verklaring van de Commissie van Begeleiding een mogelijkheid. Dit kan per gemeente verschillen. Zie de onderstaande schema's. Schema's voor leerlingenvervoer Schema 1 heeft betrekking op kinderen met een handicap die gebruik maken van het leerlingenvervoer. Schema 2 heeft betrekking op kinderen zonder handicap, maar bijvoorbeeld met een leerachterstand, of kinderen die op basis van levensovertuiging gebruik maken van het leerlingenvervoer. Schema 1 Kinderen met een handicap die gebruik maken van leerlingenvervoer
Schema 2 Kinderen zonder handicap die gebruik maken van leerlingenvervoer
|